Vereenvoudigde bronbelastingprocedures: vrijstelling aan de bron
Wijzigingen in de Moeder-dochterrichtlijn en de Interest- en Royaltyrichtlijn
Het voorstel wijzigt de toepassing van bronbelastingvrijstellingen onder zowel de Moeder-dochterrichtlijn (2011/96/EU) als de Interest- en Royaltyrichtlijn (2003/49/EC). De reikwijdte van beide richtlijnen wordt aanzienlijk verruimd, met de volgende gevolgen:
- de minimale deelnemingsvereisten (zowel het percentage als de bezitsperiode) komen te vervallen; en
- voorafgaande goedkeuring voor toepassing van een bronbelastingvrijstelling is niet langer vereist.
Bronbelastingvrijstellingen
Bronbelastingvrijstellingen zullen van toepassing zijn ongeacht de omvang van de deelneming tussen gelieerde vennootschappen. Daarnaast komen ook pensioeninstellingen in aanmerking voor een volledige vrijstelling van dividendbelasting, ongeacht hun rechtsvorm.
Van voorafgaande goedkeuring naar self-assessment
Het tweede kernonderdeel van het voorstel is dat een voorafgaande goedkeuring om vast te stellen of recht bestaat op een bronbelastingvrijstelling niet langer zal bestaan. In plaats daarvan beoordelen belastingplichtigen zelf bij de bron of aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Vervolgens kunnen belastingautoriteiten achteraf controles uitvoeren.
Vrijstelling aan de bron met teruggaaf als vangnetbepaling
Wanneer op het moment van betaling niet kan worden vastgesteld of recht bestaat op een bronbelastingvrijstelling, zullen vangnetmechanismen gelden. Voor beursgenoteerde effecten die via financiële intermediairs of nominee accounts worden gehouden, en waarbij de uitkerende vennootschap de uiteindelijk gerechtigde op het moment van betaling mogelijk niet kan identificeren, wordt toegang tot versnelde procedures gewaarborgd door aansluiting te zoeken bij de FASTER-richtlijn (Richtlijn (EU) 2025/50). Daartoe wijzigt het voorstel de FASTER-richtlijn, zodat de procedures voor vrijstelling aan de bron en snelle teruggaaf ook beschikbaar zijn wanneer een bronbelastingvrijstelling voortvloeit uit de Interest- en Royaltyrichtlijn of de Moeder-dochterrichtlijn. Daarmee worden deze versnelde procedures ook van toepassing op deze nieuw vrijgestelde betalingen. In andere gevallen, waarin ondanks de toepasselijke vrijstelling toch bronbelasting wordt ingehouden, zijn lidstaten verplicht binnen een redelijke termijn teruggaaf te verlenen op grond van hun nationale procedures.
Antimisbruik- en dubbele heffingsmaatregelen
Het voorstel handhaaft en verfijnt gerichte antimisbruikbepalingen. Onder de Moeder-dochterrichtlijn mogen lidstaten kosten die verband houden met een deelneming alleen weigeren in de aftrek wanneer het aandelenbelang ten minste10% bedraagt, waarbij een forfaitaire weigering van de aftrek voor beheerskosten beperkt is tot 5 % van de uitgekeerde winst.
Daarnaast worden beschermende maatregelen ingevoerd om risico’s van dubbele niet-heffing tegen te gaan. Wanneer rente- of royaltybetalingen worden gedaan aan ontvangers in derde-landen jurisdicties waar geen vennootschapsbelasting wordt geheven of een nultarief geldt, moeten lidstaten ofwel bronbelasting inhouden, ofwel de aftrek van de betaling weigeren. Deze waarborg geldt niet wanneer de ontvanger is onderworpen aan een qualified domestic top-up tax of deel uitmaakt van een multinationale groep die binnen de reikwijdte valt van de Pillar Two-richtlijn (EU) 2022/2523 valt (of onder de OESO-modelregels voor situaties in derde landen).
De toepassing van de Richtlijn inzake rente en royalty’s wordt uitgebreid tot betalingen die toe te rekenen zijn aan vaste inrichtingen, ongeacht of dergelijke betalingen fiscaal aftrekbaar zijn in de lidstaat waar de vaste inrichting is gevestigd. Een vaste inrichting wordt alleen als betaler beschouwd voor zover de desbetreffende betalingen kosten vormen die zijn gemaakt in verband met haar activiteiten.
Ten slotte worden de bepalingen inzake corporate governance aangepast om in de toekomst flexibiliteit te waarborgen. De bijlagen met de lijst van in aanmerking komende rechtsvormen in het kader van beide richtlijnen worden herzien, en de Europese Commissie wordt gemachtigd om deze lijsten bij te werken om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen in het vennootschapsrecht.