Hoge Raad zet streep door huidige box 3 belasting

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 in vijf zaken uitspraak gedaan over het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3. Deze zaken gaan over het rendement in box 3 na invoering van de Wet rechtsherstel box 3 (de Herstelwet over de periode 2017 tot en met 2022) en geldt ook voor de op 1 januari 2023 in werking getreden Overbruggingswet box 3.

De forfaitaire wijze van heffing in box 3 levert volgens de Hoge Raad nog steeds een inbreuk van het discriminatieverbod en het eigendomsrecht op. Als het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige lager is dan het wettelijk bepaalde (forfaitaire) rendement dan moet worden aangesloten bij het werkelijke rendement. Daarbij heeft de Hoge Raad bepaald hoe het werkelijke rendement moet worden berekend.

Wat betekenen deze uitspraken voor uw box 3 heffing? Deze uitspraken hebben directe gevolgen voor belastingplichtigen met box 3-heffing in de situatie dat bezwaar is gemaakt tegen een reeds opgelegde belastingaanslag of de belastingaanslag recent is opgelegd en bezwaartermijn nog niet is verlopen. Daarnaast zullen deze uitspraken van groot belang zijn voor alle nog op te leggen belastingaanslagen met box 3-heffing tot een nieuw stelsel is ingevoerd.

Achtergrond box 3

In box 3 wordt inkomstenbelasting geheven over de inkomsten uit uw vermogen (zoals banktegoeden, beleggingsportefeuilles, vastgoed, vorderingen en/of schulden). De wijze waarop het inkomen uit uw vermogen wordt bepaald is al jaren onderwerp van discussie. Volgens de wettelijke berekeningsmethodiek wordt het rendement op uw vermogen op een forfaitaire wijze bepaald. Dat wil zeggen aan de hand van fictieve percentages.

Eind 2021 oordeelde de Hoge Raad in het zogenoemde ‘Kerstarrest’ onder meer dat de forfaitaire berekeningsmethodiek in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht uit het EVRM en dat het inkomen moest worden bepaald aan de hand van het werkelijke rendement indien dit lager was dan het forfaitaire rendement. Als reactie hierop is voor de belastingjaren vanaf 2017 nieuwe wet- en regelgeving (het Herstelbesluit, de Herstelwet en de Overbruggingswet) ingevoerd met als doel om het werkelijke rendement beter te benaderen. Daarvoor worden jaarlijkse rendementspercentages vastgesteld (wederom op forfaitaire wijze bepaald) voor drie vaste categorieën: banktegoeden, overige vermogensbestanddelen en schulden. Deze rendementspercentages zijn voor alle belastingplichtigen gelijk. Deze systematiek zou gaan gelden tot het nieuwe box 3 stelsel is ingevoerd (naar verwachting 2027) dat is gebaseerd op het werkelijke rendement.

In de uitspraken van de Hoge Raad van 6 juni 2024 was onder meer de vraag aan de orde of deze nieuwe wet- en regelgeving na invoering van de Herstelwet voldoende rechtsherstel biedt als het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige lager is dan het wettelijke (forfaitaire) rendement.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook onder de Herstelwet en de Overbruggingswet sprake is van een inbreuk op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht uit het EVRM. Als het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige lager is dan het wettelijk bepaalde (forfaitaire) rendement dan moet worden aangesloten bij het werkelijke rendement. Het maakt daarvoor niet uit hoe groot het verschil is tussen het forfaitair bepaalde rendement en het werkelijke rendement.

Daarbij heeft de Hoge Raad bepaald hoe het werkelijke rendement moet worden berekend:

  • Voor de bepaling van het werkelijke rendement wordt naar het gehele vermogen van de belastingplichtige gekeken, zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen in box 3;
  • Het gaat om het nominale rendement, dus zonder rekening te houden met inflatie;
  • Met het positieve of negatieve rendement in andere jaren wordt geen rekening gehouden;
  • Het werkelijke rendement omvat niet alleen voordelen die uit vermogensbestanddelen worden getrokken, zoals rente, dividend en huur, maar ook waardeveranderingen (positief en negatief) van die vermogensbestanddelen;
  • Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement;
  • Er wordt geen rekening gehouden met kosten, met uitzondering van rente op schulden die tot het box 3-vermogen behoren.

De Belastingdienst zal uw belastingaanslag inkomstenbelasting moeten verminderen als u kunt aantonen dat uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitair bepaalde rendement. Van belang daarbij is dat de Belastingdienst geen rente aan u hoeft te vergoeden als u voor vermindering van een belastingaanslag in aanmerking komt, tenzij het bedrag van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van uw belastingvermindering in box 3.

Wat betekent dit voor u?

Met deze uitspraken van de Hoge Raad is meer duidelijkheid gekomen over het bepalen van uw werkelijke rendement in box 3. Indien u heeft bewezen dat uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitair bepaalde rendement, dient de inspecteur het werkelijke rendement als uitgangspunt te nemen. Om deze te berekenen is het noodzakelijk om per bestanddeel van uw vermogen inzicht te hebben in uw rendement. Daarbij kunt u denken aan rente, dividenden, huur of waardemutaties (negatief, positief, gerealiseerd en ongerealiseerd). De verwachting is dat de Belastingdienst een speciaal digitaal formulier (‘opgaaf werkelijk rendement’) zal publiceren om uw werkelijke rendement op te geven.

Meer informatie?