Prinsjesdag 2026: maatregelen voor werkgevers en werknemers

Op Prinsjesdag 2026 zijn de plannen voor het komende jaar bekendgemaakt. Wij zetten de belangrijkste fiscale maatregelen die relevant zijn voor u als werkgever of werknemer op een rij. Wat verandert er voor u?
  • Verhoging onbelaste reiskostenvergoeding: Vanaf 1 januari 2026 wordt met terugwerkende kracht de maximale onbelaste reiskostenvergoeding structureel verhoogd van €0,23 naar €0,25 per kilometer. Deze onbelaste reiskostenvergoeding is een gerichte vrijstelling voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer. Deze verhoging was al vastgelegd in een goedkeurend besluit en wordt nu in wetgeving opgenomen. Ook voor de inkomstenbelasting wordt het forfaitaire aftrekbedrag voor reiskosten verhoogd naar €0,25 per kilometer. De verruiming betekent niet per definitie dat werknemers een hogere vergoeding krijgen. Werkgevers moeten wel bereid zijn de hogere vergoeding uit te betalen.  
  • Afschaffing vrijstelling branche-eigen producten werkkostenregeling: De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten wordt afgeschaft. Tot en met 2026 kunnen branche-eigen producten tot een bedrag van ten hoogste 20 procent van de waarde in het economische verkeer van deze producten, en tot €500 per werknemer per kalenderjaar onbelast worden vergoed. De afschaffing van de vrijstelling leidt ertoe dat dergelijke verstrekkingen in beginsel volledig belast loon vormen. Werkgevers kunnen er wel voor kiezen deze vergoedingen en verstrekkingen ten laste te brengen van de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Voor zover voldoende vrije ruimte beschikbaar is, blijven deze voordelen daardoor onbelast. Bij overschrijding van de vrije ruimte is door de werkgever een eindheffing (80 procent) over de overschrijding verschuldigd. 
  • Aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups: In de loonbelasting wordt een fiscaal aantrekkelijke regeling geïntroduceerd voor werknemers die aandelenopties ontvangen van een kwalificerende startup of scale-up. De regeling biedt twee belangrijke voordelen.
    • Belasting bij verkoop aandelen:  Als hoofdregel wordt geen belasting meer geheven op het moment waarop de aandelen verhandelbaar worden. Bij deze nieuwe regeling voor startups en scale-ups vindt de belastingheffing pas plaats wanneer de werknemer de aandelen verkoopt. Hierdoor wordt voorkomen dat belasting verschuldigd is op een moment waarop nog geen liquide middelen beschikbaar zijn. Daarbij is er de mogelijkheid om (net als bij reguliere aandelenopties) ook te kiezen voor een eerder belastingmoment, namelijk bij uitoefening of verhandelbaarheid van de aandelenopties.  
    • Lagere effectieve belastingdruk:  Het belastbare voordeel wordt vastgesteld op de verkoopprijs van de aandelen en verminderd met de uitoefenprijs die de werknemer voor de betreffende aandelenoptierechten heeft betaald. De vermindering kan niet leiden tot een negatief voordeel. Met deze nieuwe regeling voor startups en scale-ups wordt dit voordeel nu voor slechts 65 procent in de loonheffing betrokken, in plaats van 100 procent. Als de uitoefenprijs bij toekenning van de aandelenopties lager was dan de waarde in het economische verkeer van de onderliggende aandelen geldt deze grondslagvermindering niet voor dat gedeelte van het voordeel. Met andere woorden: een voordeel dat reeds bij toekenning van de aandelenopties aanwezig was, wordt volledig belast. 

      De regeling is uitsluitend van toepassing op niet-beursgenoteerde ondernemingen die bij beschikking van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn aangemerkt als startup of scale-up. Daarbij wordt onder meer gekeken naar innovatie, groeipotentieel en een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel. Een andere belangrijke voorwaarde is dat de aandelen of opties in beginsel niet binnen twee jaar na toekenning worden vervreemd. Daarnaast moet de werkgever een administratie bijhouden van de toegekende opties, de verkregen aandelen en de relevante transacties. 

      Verder gelden bijzondere bepalingen voor immigratiesituaties (step-up) en emigratiesituaties (conserverende aanslag). Ook zijn specifieke regels opgenomen voor situaties waarin de werkgever niet langer als startup of scale-up kwalificeert, niet meer aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan of wanneer de werknemer overlijdt. 
  • Aanpassingen pseudo-eindheffing fossiele auto’s van de zaak: In het Belastingplan 2026 was een nieuwe pseudo-eindheffing geïntroduceerd. Deze eindheffing houdt in dat werkgevers vanaf 2027 een belasting van 12 procent over de cataloguswaarde verschuldigd zijn als zij een fossiele personenauto ter beschikking stellen aan een werknemer die deze auto ook voor privédoeleinden kan gebruiken. Van privégebruik is ook sprake als de auto gebruikt wordt voor woon-werkverkeer. De pseudo-eindheffing komt voor rekening van de werkgever en staat los van de reguliere bijtelling bij de werknemer. In het Belastingplan 2027 zijn enkele aanvullende wijzigingen en verduidelijkingen voorgesteld met betrekking tot deze nieuwe pseudo-eindheffing. 
    • Verlenging overgangsregeling: De overgangstermijn van de pseudo-eindheffing wordt verlengd van 17 september 2030 naar 1 januari 2031. Wanneer een auto vóór 2027 alreeds ter beschikking is gesteld, kan de overgangsregeling worden toegepast en is de eindheffing pas per 1 januari 2031 verschuldigd.  
    • Uitzondering voor vervangende auto’s en lesauto’s: Bij tijdelijk vervangend vervoer vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto blijft de pseudo-eindheffing gedurende de eerste 14 dagen achterwege. Bij een langere gebruiksduur is de pseudo-eindheffing vanaf de 15e dag verschuldigd. Voor handgeschakelde lesauto’s geldt de pseudo-eindheffing niet.  
    • Uitzondering voor incidenteel gebruik van fossiele auto’s: Er is een uitzondering opgenomen voor incidenteel gebruik van een auto. Tot en met 31 december 2030 is de pseudo-eindheffing niet verschuldigd voor auto’s die gedurende maximaal zeven dagen per kalenderjaar ook voor privédoeleinden aan een werknemer ter beschikking worden gesteld. Deze maatregel is met name bedoeld voor situaties waarin bijvoorbeeld een gehuurde fossiele auto tijdelijk wordt ingezet en geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht. Bij overschrijding van de termijn van zeven dagen of bij een tweede periode van terbeschikkingstelling in hetzelfde kalenderjaar is de pseudo-eindheffing alsnog verschuldigd. 
    • Anticumulatiebepaling: Tot slot wordt een anticumulatiebepaling opgenomen om te voorkomen dat werkgevers in bepaalde gevallen twee keer met een pseudo-eindheffing worden geconfronteerd. Als zowel de pseudo-eindheffing voor fossiele auto's als de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen van toepassing zou zijn, dan wordt de autobijtelling buiten de grondslag gehouden voor de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen.  
  • Introductie overgangsregeling versobering youngtimerregeling auto van de zaak: In het Belastingplan 2026 is de youngtimerregeling versoberd. De leeftijdsgrens is daarbij verhoogd van 15 naar 16 jaar per 1 januari 2026 en was voorgesteld deze per 2027 te verhogen naar 25 jaar. In het Belastingplan 2027 wordt een geleidelijker transitiepad voorgesteld: de leeftijdsgrens per 1 januari 2027 wordt verhoogd naar 17 jaar en per 1 januari 2028 structureel naar 20 jaar. Hiermee krijgen veel gebruikers van de youngtimerregeling extra tijd om zich aan de gewijzigde regelgeving aan te passen.

    Daarnaast wordt een eerder goedgekeurde overgangsregeling wettelijk vastgelegd. Hierdoor kunnen auto's die in 2025 15 jaar oud zijn geworden en al in 2025 ter beschikking waren gesteld, de youngtimerregeling blijven toepassen tot 1 januari 2027. Daarnaast wordt een onbedoeld verschil in de fiscale behandeling (waarderingsgrondslag) van 15- en 16-jarige auto’s hersteld.  
  • Bevriezen aftoppingsgrens pensioen -en lijfrente: Met ingang van 1 januari 2015 geldt een fiscale maximering van het inkomen waarover pensioen in de tweede pijler kan worden opgebouwd en waarover premies voor een lijfrente in de derde pijler fiscaal gefaciliteerd kunnen worden. Dit maximumbedrag (de aftoppingsgrens) wordt jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar geïndexeerd. Voor 2026 bedraagt de aftoppingsgrens €137.800. Voorgesteld wordt om de aftoppingsgrens gedurende de periode 2027 tot en met 2032 niet te indexeren. Hierdoor blijft het maximale pensioengevende loon in deze jaren gelijk en groeit de aftoppingsgrens niet mee met de loonontwikkeling. 

Meer informatie?